Mede-oprichter van Terrestris Eric Kluitenberg reflecteert in deze tekst op een reeks kwesties rond regeneratieve cultuur, kunst en design en de connectie met de regio (het Groene Hart) waar wij actief zijn.
Vertrekpunt: regeneratieve cultuur?
Daniel Christian Wahl is een prominente pleitbezorger voor regeneratief ontwerpen en regeneratieve cultuur. Enige jaren geleden postte hij een fragment uit zijn boek ‘Designing Regenerative Cultures’ (2016) op zijn blog met een gewaagde titel: “Sustainability is not enough: we need regenerative cultures” (Duurzaamheid is niet genoeg: we hebben regeneratieve culturen nodig). Die boodschap roept allerlei vragen op: Na jaren van discussie over de vraag hoe productie en consumptieprocessen duurzamer kunnen worden (en alle blokkades om dat te bereiken) – is dat opeens niet meer genoeg? Hoe moeten we zijn uitspraak precies begrijpen?

“A regenerative human culture is healthy, resilient and adaptable; it cares for the planet and it cares for life in the awareness that this is the most effective way to create a thriving future for all of humanity.”
(Daniel Christian Wahl)
Wahl benadrukt in zijn publieke presentaties dat het hem er niet om gaat het streven naar ‘duurzaamheid’ op te geven. Hij ziet dit onverkort als een cruciale stap om antwoorden te vinden op de uitdagingen waarvoor de snel achteruithollende ecologische omstandigheden ons plaatsen (een dramatische afname van biodiversiteit, opwarming van de aarde en klimaatverandering en de uitputting van natuurlijke hulpbronnen). Maar het is dus niet genoeg. Volgens Wahl moet de aandacht van ontwerpers en uiteindelijk ons allen zich richten op het onderliggende systeem dat de gezondheid, veerkracht en het aanpassingsvermogen van het leven als geheel op onze planneet in stand houdt en tot bloei laat komen. Een regeneratieve menselijke cultuur is gezond, veerkrachtig en adaptief. Ze zorgt voor de planeet en voor het leven, in het besef dat dit de meest effectieve manier is om een bloeiende toekomst voor de hele mensheid te creëren. (Wahl, 2017)
Het kern-principe van een regeneratieve cultuur en in het verlengde daarvan een regeneratieve ontwerppraktijk draait om de vraag welke interventies direct bij kunnen dragen aan het verbeteren van de ecologische veerkracht, gezondheid en diversiteit van het hele levende systeem. Ecologische regeneratie beoogt niet alleen processen te stabiliseren, maar deze zo te ‘ontwerpen’ dat zij bijdragen aan een daadwerkelijke verbetering van de ecologische condities en integriteit van een bepaalde plek of proces. Dit is een inherent positieve / generatieve inzet (het genereert mogelijkheden, positieve uitkomsten) en niet een herhaling van de overbekende klaagzangen over ecologische neergang.
Terrestris, als platform voor kunst, design en ecologische regeneratie positioneert zich expliciet binnen het domein van de creatieve disciplines, kunst en design in brede zin: van landschaps- en tuinarchitectuur, land art, tot objectontwerp, artistiek onderzoek, architectuur en stedenbouw, geluidskunst en performance-kunst, visueel en auditief design en nog veel meer. Wij bevragen de (mogelijke) relaties tussen deze creatieve disciplines en de ontluikende regeneratieve culturen, omdat we hierin een groot potentieel zien voor de regio waar wij zelf leven (het Groene Hart in het centrum van de Randstad) en daarbuiten.
De (rol van) creatieve disciplines
Binnen de creatieve disciplines is de aandacht voor ecologische vraagstukken de afgelopen jaren sterk toegenomen. In de eerste plaats door de steeds nadrukkelijkere effecten van klimaatverandering en de klimaat- en biodiversiteit-crisis – of wat filosoof Bruno Latour omschrijft als het ‘Nieuwe Klimaatregime’. Veel publieke cultuurprojecten richten zich daarbij primair op observatie, analyse, kritiek en het vergroten van het (publieke) bewustzijn van de effecten van deze ecologische processen, door ze op een aansprekende manier te verbeelden.
Een goed voorbeeld hiervan is de recente grootschalige tentoonstelling Critical Zones – Observatories for Earthly Politics (ZKM Karlsruhe, 2020), samengesteld door Bruno Latour en toenmalig ZKM directeur Peter Weibel. In dit en vergelijkbare projecten (zoals het Anthropocene Curriculum van Haus der Kulturen der Welt, Berlijn) worden een groot aantal inspirerende projecten, makers, initiatieven en werken samengebracht op het snijvlak van kunst, design en ecologie. De vraag is echter hoe de sprong te maken van observatie, reflectie en verbeelding naar concrete interventies die bijdragen aan revitalisering en herstel van lokale en wereldwijde ecosystemen?
Latour’s concept van de “Critical Zones’ is hierbij belangrijk: hij benadrukt dat het ‘aardse’ (the terrestrial) niet de globus is – de aardbol die we vanuit de ruimte observeren. Het perspectief op de levende planeet, de ‘kritische zone’, is de dunne schil van slechts enkele kilometers omhoog en neerwaarts in de lucht en de bodem: een kwetsbare zone, de biosfeer, waarbinnen zich al het leven afspeelt.
Een tweede Copernicaanse revolutie.
De eerste Copernicaanse revolutie toonde aan dat het de aarde is die rond de zon draait en niet andersom en gaf daarmee de mensheid een nieuwe plaats in het universum: Niet langer in het centrum, maar in de periferie van een sterrenstelsel – tijdens heldere nachten als vaag schijnsel in de achtergrond zichtbaar als de Melkweg. De tweede revolutie, onze huidige zo Latour, ziet de aarde daarentegen niet meer vanuit dit kosmische gezichtspunt als een ‘blauwe knikker’ die in de lege ruimte hangt. Het is juist nodig om te ‘landen’ en letterlijk het meest aardse perspectief aan te nemen: de blik op de bodem, de aarde, de grond onder onze voeten. De droom te ontsnappen aan de planeet biedt geen uitkomst. Leuk in science fiction narratieven en obsceen in de fantasieën van tech-miljardairs, maar domweg geen optie voor ons (de mensheid) en nog minder voor al het meer-dan-menselijke leven dat gruwelijk lijdt onder deze misplaatste hubris.
In zijn Facing Gaia lezingen vatte Latour het al bondig samen: “There is no escape from the condition of belonging to the world.” (Er is geen ontkomen aan de conditie deel uit te maken van de wereld – Latour, 2013). Fictief reizen door de ruimte blijft wellicht een aanstekelijk vermaak, maar na een avond ondergedompeld in die fantasiecosmos te hebben doorgebracht, is het tijd om terug te keren naar de aarde, te landen in het aardse, zoals Latour het omschrijft.
Vanuit Terrestris willen wij onderzoeken hoe de volgende stap te maken. Welke directe bijdrage kunnen de creatieve disciplines (design en kunsten) leveren aan het verbeteren van de ecologische condities en de ecologische integriteit van een bepaalde plek of proces (onze werkdefinitie van regeneratieve cultuur)? Allereerst door de bruisende internationale discussie over regeneratief ontwerpen en regeneratieve kunst en cultuur te verbinden met het lokale perspectief van de Groene Hart regio, haar bewoners en haar bezoekers – onze ‘landingszone’. En vervolgens, maar pas daarna, daarbuiten.
We vragen ons af hoe een ontwerpende en artistieke praktijk uit moet zien die zelf regeneratieve en ecologisch positieve doelstellingen nastreeft?
Hierin werken wij ondermeer nauw samen met de inspirerende Zoöp coalitie geleid door onderzoeker en curator Klaas Kuitenbrouwer. Regeneratieve principes staan centraal in het Zoöp concept, een nieuwe organisatievorm die de belangen van alle levensvormen (de Zoë) onderdeel maakt van haar besluitvormingsproces.
Regeneratieve principes gaan een belangrijke stap verder dan de gangbare discussies over duurzaamheid, circulariteit, cradle to cradle, die in de ontwerp-disciplines en de kunsten ruimschoots bekend zijn. Kuitenbrouwer introduceerde het onderstaande overzicht bij een Zoöp meeting op 24 november 2023 in Nieuwe Instituut Rotterdam om die volgende stap, van ‘business-as-usual’ (Net negative), naar duurzaam (Net zero) en vervolgens door naar regeneratief (Net positive) scherper te duiden:

Rondom de nieuwe regeneratieve praktijken die de beweging van ‘net-zero’ naar ‘net-positive’ nastreven is inmiddels een levendige internationale discussie ontstaan. En die beweging is breder dan de creatieve disciplines. Er is een rijke praktijk rond regeneratieve landbouw met tal van videokanalen, tutorials, uitwisseling van kennis en informatie. In de ontwerp-disciplines bestaat een levendige discussie rond regeneratief design. In de kunsten is dit begrip wellicht minder prominent, maar wij zien vanuit Terrestris juist in het vrije perspectief van kunstenaars een groot potentieel om nieuwe scenario’s voor toekomstige transformaties van landschap, ecosystemen en de ervaring van de eigen leefomgeving te ontwikkelen. Cruciaal daarbij is om de lokale bewoners actief bij het ontwerpproces te betrekken.
Hoe en waar kunnen we Latour laten landen?
De kloof die gaapt tussen de overvloed aan data, kennis en alarmerende berichten over ecologische neergang, afnemende biodiversiteit en klimaatcrisis en de persoonlijke levenservaring van mensen die zich hier niet dagelijks mee uiteenzetten is enorm. Juist de creatieve disciplines kunnen hier een grote bijdrage leveren door de lokale leefomgeving en persoonlijke ervaring te verbinden met de kracht en lokale toepasbaarheid van ecologische regeneratieve principes. Uit ervaring blijkt bovendien dat het beschamend eenvoudig is om ecologische regeneratie (kleinschalig) tot stand te brengen, door simpelweg aan de slag te gaan (b.v. tegeltjes wippen!).
Latour benadrukt echter dat alle menselijke capaciteiten, kennis, vaardigheden, praktijken, institutionele arrangementen, artistieke verbeelding, context-sensitief ontwerp, technologische, financiële en economische capaciteiten nodig zijn om een antwoord te formuleren op de uitdagingen die het nieuwe klimaatregime aan ons mensen en aan al het aardse leven stelt. De vraag is dan natuurlijk, hoe bereik je dat? Hoe kunnen al deze vaardigheden en capaciteiten landen? En waar?
Het enigszins verwarrende antwoord op die vraag is: Overal! Maar spreek met een willekeurige Permacultuur specialist en die zal uitleggen dat als je een spade in de bodem steekt de grond die je tegenkomt nooit dezelfde zal zijn waar je ook elders graaft. Het levende systeem is oneindig complex en in hoge mate lokaal specifiek. Eenvoudige als het ware ‘universele’ oplossingen bestaan hier niet.
Latour zelf vraagt daarom om een nieuw soort cartografie, een nieuwe kaart, die ons collectief in staat stelt om ons te oriënteren in de zo vertrouwde en tegelijk zo vervreemde wereld. Maar voordat we een kaart, of eigenlijk een oneindige reeks kaarten, kunnen tekenen moeten we allereerst een plaats vinden – een locatie waar we de grond onder onze voeten terugvinden, een landingsplek als oriëntatiepunt.
Die landingsplek is noodzakelijkerwijs lokaal, gegeven de lokale specificiteit van ecologische systemen. En de kennis van het lokale is voor een groot deel ook lokaal te vinden, bij de mensen die leven op en werken met het land, de mensen die dit aardes perspectief, vaak al generaties lang, vanzelfsprekend aannemen.
Deze lokale plaatsen zijn niet langer geïsoleerd, al was het alleen maar omdat klimaatverandering een wereldwijd proces is. Kennis, contact en uitwisseling is tegelijk levendiger dan ooit. Niet in de laatste plaats door de duizelingwekkende groei van internet-toegang, inmiddels vrijwel rondom de planeet. Die infrastructuur heeft echter ook zelf weer haar eigen (zeer) negatieve ecologische effecten, waardoor de discussie over permacultuur zich ook moet verdiepen naar die van ‘permacomputing’. Het lokale is hier geen reactionaire of regressieve vorm van afsluiting, maar juist één van verbondenheid in oneindige diversiteit (uit levensbehoud) en uiteraard vol van tegenstrijdigheden.
De Groene Hart regio – een schets:
Het Groene Hart, onze landingsplek, is een fascinerende en diverse regio waar ecologische vraagstukken, druk op een historisch cultuurlandschap en nieuwe verhoudingen tussen stad en platteland samenkomen in de zogenaamde ‘Groene Metropool’ – een groene ecologische kern omringd door de stedelijke agglomeraties van de Randstad. Deze groene kern staat zwaar onder druk, door toenemende verstedelijking (ondermeer de massieve nieuwe wijk Westergouwe naast Gouda), spanning tussen recreatieve en natuurfuncties, maar ook doordat traditionele vormen van land- en tuinbouw, die de regio al eeuwenlang kenmerken, steeds meer onder ecologische en economische druk staan. Het Groene Hart biedt een uitgelezen context om regeneratieve cultuur in de praktijk te brengen, om duurzamere relaties tussen stedelijke en landelijke contexten te onderzoeken en om nieuwe perspectieven over, op en voor de regio te ontwikkelen.

In de studie “Het Groene Hart – Landschapsbiografie en cultuurhistorische waardering” (2021) van het bureau SteenhuisMeurs wordt helder beschreven hoe intensief landgebruik de regio sinds eeuwen kenmerkt. Dit beperkte zich niet alleen tot intensieve landbouw. Ook de drooglegging van veengebieden en productie van turf speelde een belangrijke rol in de vorming van het landschap. Met name in het noord-westen van de regio zijn grote veengebieden ontgonnen, verwerkt tot brandstof (turf-briketten) en letterlijk verbrand. Een ecologische catastrofe in vorige eeuwen die nu resulteert in een ogenschijnlijk ‘idyllisch’ recreatie gebied van lage meren en plassen.
In de poldergebieden (voorheen ook veengebieden) wordt traditioneel aan intensieve landbouw gedaan. Echter het droogleggen van deze grond leidt niet alleen tot massieve CO2 en stikstof-emissies, maar is tevens de oorzaak van voortdurende bodemdaling in het gebied (door het massaal wegpompen van grondwater). Deze bodemdaling bedraagt 1 cm per jaar. Gecombineerd met de gelijktijdige zeespiegelstijging zijn deze landbouwpraktijken na eeuwen niet langer houdbaar. De regio ligt op het laagste punt van Nederland, ruim 6,5 meter onder de zeespiegel. Vanuit het Westen dringt daardoor zoutwater onophoudelijk de regio binnen, die vegetatie en daarmee insecten en vogel populaties en uiteindelijk het hele ecosysteem in de komende decennia ingrijpend gaat veranderen.
Herstel van natte veengebieden die grote hoeveelheden CO2 en stikstof vastleggen is een voor de hand liggende strategie om deze ontwikkelingen in ieder geval te dempen, om tijd te winnen. Wij vragen ons echter ook af wat deze ontwikkeling betekent voor het zelfbeeld van de regio en haar bewoners, hun persoonlijke en emotionele binding met datgene wat de eigen lokale leefomgeving bepaalt. Hoe nieuwe scenario’s te ontwikkelen waar de bewoners zelf een duidelijke stem in hebben?
Duidelijk is dat ‘groen’ in het Groene Hart niet gelijk staat aan ‘natuur’. Wij gaan uit van een mens-inclusieve ecologie waarin ook diep gewortelde tradities hoe om te gaan met het land een belangrijke rol vervullen. We merken tegelijk dat in grote onderzoeks- en beleidsprogramma’s de stem van de ‘burger’ en ‘bewoner’ grotendeels of zelfs geheel ontbreekt.
Nieuwe Bioregionale Capaciteiten
Een belangrijk onderdeel van de levendige discussie rond regeneratieve culturen is het idee van Bioregio’s. Hiermee worden regio’s bedoeld die bepaald worden door hun specifieke ecologische kenmerken en niet door politieke (lands-)grenzen. Op land spreken onderzoekers van een ecozone of ‘biome’ die een een brede gemeenschap aanduiden van planten en dieren, aangepast aan specifieke klimatologische omstandigheden, die op verschillende continenten voorkomen.
Bioregio’s zijn tegelijk lokaal specifiek en verbonden met zones elders met vergelijkbare klimatologische omstandigheden. Deze bioregio’s overschrijden vaak de landsgrenzen, maar regelmatig doorsnijden ook meerdere bioregio’s een land of regio. Het idee van een bioregio helpt allereerst om beter te begrijpen wat de specifieke kenmerken zijn van een bepaald gebied, welke vormen van leven je er typisch vindt, natuurlijke vegetatie en inheemse diersoorten, maar ook welke vormen van landbouw, aanplant, teling kenmerkend zijn voor de regio.
Bioregio’s vragen om een andere kaart van de wereld. Het lijkt op de nieuwe cartografie waar Latour om vroeg. De organisatie One Earth heeft deze oproep vrij letterlijk opgepakt en op haar website een ‘navigator’ van de aardse bioregio’s beschikbaar gemaakt die deze nieuwe indeling helder inzichtelijk maakt.
Bioregio’s beperken zich niet uitsluitend to natuurlijke systemen. Ze betrekken ook agrarische systemen en kenmerken in hun model. Dit is een belangrijk verschil met het sterk geglobaliseerde systeem van voedselproductie en distributie dat door een veelheid aan economische, financiële en politieke overwegingen wordt gestuurd en zich vaak onttrekt aan de lokale / regionale specificiteit van de levende omgeving.
Het gevolg is een door velen bekritiseerd systeem waarin voedingsmiddelen en halffabrikaten rondom de planeet worden vervoerd om vooral ‘premium-markten’ te bedienen, terwijl de nadelige gevolgen van dit systeem vaak juist worden gevoeld waar het merendeel van deze producten is gekweekt. Tegelijk ondervinden lokale producenten steeds grotere problemen om met dit geglobaliseerde systeem te concurreren.
Een belangrijke vraag die bioregio’s oproepen is of dit agro-economische systeem beter in balans kan worden gebracht door meer in te zetten op (bio)regionaal specifieke vormen van productie en consumptie van dagelijkse voeding? Het lijkt voor de hand liggend dat voedselproductie die is afgestemd op de lokale bioregionale specificiteit uiteindelijk tot een efficiënter voedingssysteem leidt en een geringere belasting van de biosfeer. Daarvoor is echter een beter en dieper inzicht nodig in die regionale en lokale specificiteit dat (veel) verder gaat dan een indeling in bioregionale zones.
Bioregional Finance
Een fascinerende discussie die zich recent heeft ontwikkeld richt zich op de vraag hoe bioregionaal specifieke vormen van financiering kunnen worden ontwikkeld die deze bioregionaal specifieke vormen van agrarische productie kunnen ondersteunen: ‘Bioregional Finance’, of kort BioFi. Uiteindelijk is hier de vraag aan de orde hoe de organisatorische en materiële capaciteiten kunnen worden ontwikkeld die een dergelijke heroriëntatie op de eigen bioregio mogelijk en (ook economisch) haalbaar kunnen maken?
Vanuit het perspectief van regeneratieve cultuur is vervolgens de vraag hoe dergelijke bioregionaal specifieke systemen zo kunnen worden ingericht dat zij ook actief bijdragen aan het versterken van de lokale ecologische condities en de ecologische integriteit van de regio? Daarbij moet ook meteen worden aangetekend dat de bioregionale zonering niet statisch is. Door klimaatverandering verschuiven grenzen van klimatologische condities, (nieuwe) vormen van vegetatie, geografie (opstuwend versus verdampend water, erosie, etc.), veranderende populaties van microscopische en macroscopische leefwezens manifesteren zich. De effecten van klimaatverandering bewegen nooit netjes in één richting…
De discussie verschuift hier dus naar de organisatorische capaciteiten die nodig zijn om ecologische regeneratie in de praktijk te brengen op verschillende schalen. Dit vergt veel meer dan (een reeks van) bestuurlijke of beleidsmatige interventies. Het vergt een nieuw perspectief, een andere manier om naar de levende omgeving te kijken en de plaats van mensen daarin en verwevenheid met de veelvormigheid van andere levensvormen.
Een simpele aanpassing van de oriëntatie van het financiële en economische systeem is volgens diverse critici lang niet genoeg, ook al kan dit (beperkt) positieve effecten genereren. Recent stelden Commons specialisten David Bollier en Natasha Hulst een alternatieve benadering van financiële systemen voor die zij ‘relationalized finance’ noemen (relationele financiering). Dergelijke vormen van financiering zijn volgens hen erop ingericht om nieuwe relaties – sociaal, economisch en politiek – te ondersteunen en verdiepen, gereguleerd door de bevolking onderling (de commons). Humaan en ontworpen om de generatieve capaciteiten van levende systemen te ondersteunen. Waarbij ‘natuur’ (ecologie) en financiering niet langer als afzonderlijk, maar juist als innig verweven worden beschouwd.
Dit vergt zowel praktisch / pragmatisch, als ethisch en cultureel / symbolisch een grondige verschuiving van perspectief. Die perspectiefwisseling gaat vooraf aan enige ‘ontworpen’ concrete interventie. Maar juist perspectiefwisselingen zijn nu net het uitgelezen en vanzelfsprekende terrein van de kunsten. Zoals een collega het ooit treffend formuleerde: “Terwijl alle apen proberen de hoogste positie in de boom proberen te veroveren, is de kunstenaar de aap die roept: “Hey! We zitten in de verkeerde boom!”. Het zijn vervolgens de ontwerpers die nieuwe inzichten kunnen vertalen in context-sensitieve interventies. Het is die dubbelfunctie waar Terrestris naar zoekt.
Eric Kluitenberg
Februari 2026
Addendum
Onderstaande tabel is een samenvoeging van het aangehaalde overzicht van Klaas Kuitenbrouwer over regeneratieve cultuur, met dat van Kunttu, Henttonen, et. all (2025) over circulaire en regeneratieve economie:

Aangehaalde bronnen:
Daniel Christian Wahl, Designing Regenerative Cultures, Triarchy Press, 2016.
Bruno Latour, Down to Earth, Polity Press, 2018.
Iivari Kunttu, Kaisa Henttonen, Leena Kunttu, Jari Jussila, Anne-Mari Järvenpää1, Nina Helander: Regenerative Practices in Circular Economy SMEs, Journal of Circular Economy (2025) 3:3, 342-357 – https://doi.org/10.55845/QOPR9934
